Alles komt neer op geloof, wij mensen moeten uiteindelijk zelfs geloven dat we bestaan, want ons bestaan hebben we niet zelf voortgebracht.
Dit bestaansgeloof, zoals dat curientiefilosofisch heet, komt neer op bestaan als geloof. Levensvromer kan het dus niet en dit is daarom ons antwoord op de vraag waarom wij niet op een andere manier gelovig hoeven te zijn.
"Als ik dat niet geloofde, zou het bestaan onbegrijpelijk zijn en dus ondragelijk worden voor een mens" (Hugo de Groot). Maar is dat wel zo? Die laatste onbegrijpelijkheid van alle dingen kan ook ook doorleefd worden als een religische (niet "religieuze") behoudenis. In elk geval luidt hier onze curientieve boodschap dat de mens er door ontslagen wordt van verantwoordelijkheid voor een bestaan dat hem uiteindelijk ook maar een overkoming is.
Wij hebben de ander in onze curientieve gesprekvoering niet als medemens te "behandelen" (bij wijze van omgangstechniek dus), maar als medemens te aanvaarden. Op basis allicht van de almenselijkheidsgedachte.
Zulk aanvaarden realiseert zich als een existentieel begroeten: ik ben blij dat jij bestaat, samen met mij als mens bestaat.